Als ouder gaan we vaak mee naar wedstrijden en soms ook naar de trainingen. We moedigen ons kind langs de kant aan en geven hier en daar met de beste bedoelingen een tip of aanwzijzing. We doen dit vanuit een goed hart. Maar wat vinden kinderen daar zelf eigenlijk van als ze hier vrijuit hun mening over kunnen geven?
<>

De enige reden voor kinderen om aan een sport te doen is omdat ze het leuk vinden. Ze vinden het leuk om een bepaalde soort sport te beoefenen, ze maken er vriendjes en hebben plezier.
Als ouder zijnde vinden we het fijn dat een kind sport. Want wij weten dat sport niet alleen belangrijk is voor de gezondheid maar dat kinderen er ook heel veel leren. Je leert met anderen omgaan, leert omgaan met winnen en verliezen, je leert discipline, krijgt er zelfvertrouwen van, leert incasseren, je leert om anderen te helpen, leert zelfverantwoordelijkheid, voor jezelf op te komen enz. Dit zijn belangrijke vaardigheden die ze in een verdere leven nog vaak nodig zullen hebben.
Om deze vaardigheden te leren is er een veilig sportklimaat nodig. Ouders spelen hierin ook een hele belangrijke rol. Als ouders onderschatten we die rol weleens.

Als ouders hebben we al wat meer jaren levenservaring, zijn we cognitief een stuk verder en hebben we ook onze eigen ervaringen in het leven opgedaan die we meenemen in de beslissingen en keuzes die we in het dagelijks leven maken. Dat is mooi maar hierdoor ontstaan er ook valkuilen.

Als ouder geef je met de beste bedoelingen een tip of aanwijzing tijdens trainingen of wedstrijden want je wil je kind helpen. Maar hier slaan we de plank helemaal mis. “Jantje, je moet je been er achter zetten” kind kijkt naar vader “Zo?”, “Nee, je moet erachter stappen met je andere been”. Ondertussen kijkt het kind ook nog een keer naar de leraar, verzet zijn voeten en kijkt weer vertwijfeld op naar zijn vader “Zo?”. De leraar kijkt maar zegt niets. Hier heeft de leraar een reden voor.
Deze ouder laat zien dat zijn verwachtingspatroon t.o.v. zijn kind te hoog liggen. Kinderen willen altijd dat hun ouders trots op hun zijn, hier gaan ze heel ver voor. Op het moment dat een ouder aanwijzingen gaat geven in een les of wedstrijd, geven zij de boodschap aan het kind dat hij of zij het niet goed doet. Een kind heeft het gevoel dat hij/zij zijn ouder teleurstelt. Dit geeft stress bij een kind. Omdat stress meestal een negatieve invloed heeft, gaan kinderen hierdoor minder goed presteren. Daardoor hebben zij het gevoel van falen. Als dit regelmatig gebeurt, wordt een kind onzeker terwijl het juist zelfvertrouwen nodig heeft. Als ouder hoef je niet eens iets te zeggen. Je kind leest het feilloos aan je houding of gezicht af, als een ouder teleurgesteld is in een prestatie.
Als ouders willen we onze kinderen beschermen, maar soms gaan we daarin te ver. En dat kan zeer schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind. Als we ervan uitgaan dat onze kinderen meer nodig hebben dan ze in werkelijkheid doen, ondermijnen we hun kunnen en hun zelfvertrouwen. Je ziet dan als ouder niet hoeveel het kind al wel zelf kan en na loop van tijd geloven kinderen ook niet meer dat het zelf kunnen.
Onze goede bedoelingen als ouder hebben dan zonder dat we het in de gaten hebben een averechtse werking.

Wat kun je als ouder wel doen? Eigenlijk heel simpel: Heb niet te hoge verwachtingen van een kind. Kijk naar het plezier dat je kind heeft en de stapjes die het maakt, ook al zijn het hele kleine stapjes. Maak een compliment over hetgeen dat goed ging, “Wat goed dat je de bal zo ver kon schieten”. Dit geeft een kind het zelfvertrouwen om het de volgende keer vol zelfvertrouwen nog beter te doen. Een kind dat bang is om te falen of om het niet goed genoeg te doen, staat al 2-0 achter voor aanvang van een wedstrijd of oefening en zal daardoor minder goed presteren. En dat is nou juist niet wat we als ouder bedoelen te bereiken.
Laat het coachen en lesgeven over aan de trainer. Op deze manier kan een kind vrij oefenen zonder dat hij van twee kanten (ouder en coach) in de gaten gehouden wordt. Als ouders de taak van leraar gaan overnemen, gaan kinderen in plaats van met veel plezier en concentratie oefenen, hun ouder in de gaten houden om te kijken of ze wel tevreden zijn. Dit belemmert kinderen in hun plezier en het uitoefenen van hun sport.
Een leraar ziet vaak alles. Zij hebben vaak een reden om nog niets te zeggen tegen een kind als een techniek nog niet goed lukt. Zij zien bijvoorbeeld dat een kind hard zijn best doet, en een deel van de techniek al beter lukt als de vorige keer. Daarmee zijn zij tevreden – er worden stapjes gemaakt. Of zij zien dat deze techniek nog te ingewikkeld is voor een kind en denken, als hij/zij er klaar voor is, valt het kwartje en gaat het lukken.

Help je kind om zelf te ontdekken: Het proces van zelf leren is belangrijk voor een kind. Als er iets niet goed gaat, dan is dat voor niemand zo vervelend als voor het kind zelf. Kinderen weten het zelf heel goed als er iets niet goed ging. Soms weten ze waardoor iets niet goed ging en soms moeten ze onderzoeken waarom iets niet goed ging. Een ouder die na een wedstrijd zegt “Dat ging niet zo best hè”, “Zo komt de kampioenstitel niet dichter bij” helpen hun kind niet. Kinderen balen zelf al genoeg en ervaren op zo’n moment geen steun van hun ouder.
Kinderen hebben niet de ervaring opgedaan die u als ouder op heeft gedaan. Het is belangrijk dat ze hun eigen leerproces hebben en ervaringen opdoen. Als ouder willen we een kind graag helpen door een kind advies te geven of door met een oplossing te komen. Als ouder heb je immers al heel wat ervaringen in het leven opgedaan. Het is belangrijk dat kinderen hun eigen ervaringen op kunnen doen. Als ouder kun je een kind helpen om tot eigen inzichten te komen door open vragen te stellen.
Als een kind zegt “Ik stond vrij maar werd niet aangespeeld”, is de eerste reactie van een ouder vaak om te vertellen wat je moet doen op zo’n moment maar het levert meer op als je op zo’n moment doorvraagt “Wat denk je dat de reden was dat je niet aangespeeld werd?” Misschien krijg je dan als antwoord:”Ik denk dat ze me niet goed genoeg vinden”. Een ander antwoord kan zijn “Peter stond ook vrij en op een betere plek, maar ik vond het wel jammer”. Het ene of het andere antwoord kan een gesprek een hele andere wending geven.
Probeer open vragen te stellen.
“Ging het goed vandaag” – “ja”, “Heb je iets interessants geleerd? “Nee”, zijn voorbeelden van gesloten vragen. Open vragen, vragen om een uitgebreider antwoord “Hoe komt het dat je boos werd?”, “Hoe komt het dat je geen hand wilde geven?”. Een vraag die zo geformuleerd wordt nodigt een kind uit om over zichzelf of over zijn/haar gedrag na te denken en zelf tot een conclusie of oplossing te komen.
“Wat heb je vandaag bij de training gedaan?”
“We hebben op het doel geschoten”
“Hoe ging dat voor jou?”
“Ja, niet goed.. Ik heb geen één doelpunt gemaakt”
“In welke hoek heb je geschoten?”
“In de linker boven hoek..”
“..Dat doe ik altijd..”
“Misschien weet Niels dat ik altijd daar schiet. Ik ga de volgende keer in een andere hoek schieten”.
In dit voorbeeld heeft het kind niet alleen zelf een mogelijke oorzaak bedacht maar ook een mogelijke oplossing. Dit geeft een kind zelfvertrouwen waardoor het kind de volgende training vol zelfvertrouwen het veld op gaat.
Stel liever geen waarom vragen omdat dit soort vragen aanvallend overkomen, waardoor een kind direct al een defensieve houding aanneemt. “Waarom heb je niet kunnen scoren?”, “Waarom heb je geen hand gegeven?”, “Waarom stond je niet op tijd klaar?”. Beter kun je dan vragen “Hoe komt het dat…?”. Voorkom dat je als ouder een verborgen mening geeft in een vraag “Waarom zet je je been niet op de juist plaats weg?” of “Hoe kun je ervoor zorgen dat je de volgende keer wel gewoon doorzet?”